Home » Nieuws » Is het verhuist of verhuisd?

Is het verhuist of verhuisd?

  • 4 min read
verhuist of verhuisd

Je gaat binnenkort verhuizen en je wilt je vrienden, familie en relaties daarvan graag op de hoogte brengen door middel van verhuiskaartjes. Misschien ben je al een mooi, persoonlijk kaartje aam het ontwerpen. Maar dan slaat de twijfel toe: wat zet je op een verhuiskaart? “Ik ben verhuist” of “Ik ben verhuisd”?

Ben je verhuist of ben je verhuisd?

Altijd lastig die d’s en t’s in de Nederlandse taal. Ben je nu verhuist of ben je verhuisd? Het gaat hier om het voltooid deelwoord van het werkwoord verhuizen. Veel mensen hebben moeite met voltooid deelwoorden. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo moeilijk. Je hoeft alleen maar te bekijken hoe het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd vervoegd wordt.

Zeg je verhuiste of verhuisde?

Wordt het werkwoord in de onvoltood verleden tijd met een t vervoegd, dan eindigt het voltooid deelwoord op een t. Wordt het werkwoord in de verleden tijd met een d geschreven, dan eindigt het voltooid deelwoord op een d.

Dus: is het Ik verhuiste of Ik verhuisde? Voor de meeste Nederlanders is het wel duidelijk: Ik verhuiste klinkt vreemd in de oren. Ik verhuisde klinkt natuurlijker. Het voltooid deelwoord is dan ook met een d: verhuisd.

Deze regel werkt echter niet voor mensen die niet in Nederland geboren en opgegroeid zijn. Voor hen blijven veel klanken in het Nederlands onnatuurlijk overkomen. Maar ook in sommige Nederlandse dialecten kun je aan de uitspraak niet horen of je nou wij verhuisten of wij verhuisden zegt. Een korte uitleg van de regels is dan ook niet overbodig.

De stam van een werkwoord – de basis voor vervoegingen

Bij het vervoegen van een werkwoord ga je uit van de stam van dat werkwoord. Dit is het hele werkwoord min de uitgang -en. Bijvoorbeeld: de stam van leiden is leid, de stam van zakken is zak en de stam van verhuizen is verhuiz.

‘t kofschip

Als de stam van een werkwoord eindigt op een van de medeklinkers uit ‘t kofschip dan wordt de onvoltooid verleden tijd gevormd door stam + te(n). Komt de laatste letter van de stam van het werkwoord niet voor in ‘t kofschip, dan wordt de onvoltooid verleden tijd gevormd door stam + de(n).

Een paar voorbeelden:

  • Leiden: de stam is leid. De letter d komt niet voor in ‘t kofschip, dus de onvoltooid verleden tijd wordt gevormd door stam + de(n): leidde(n). Het voltooid deelwoord zou dan geleidd zijn, maar twee dezelfde medeklinkers aan het eind van een woord kan niet. Het voltooid deelwoord van leiden is daarom geleid.
  • Zakken: de stam is zakk – De letter k komt voor in ‘t kofschip, dus de verleden tijd is stam + te(n): zakkte. Maar een dubbele k voor een andere medeklinker kan niet, dus een van de k’s wordt verwijderd: zakte. Het voltooid deelwoord is gezakt.
  • Verhuizen: de stam is verhuiz. De letter z komt niet voor in ‘t kofschip, dus de verleden tijd wordt gevormd door stam + de(n). Een z en een d achter elkaar kan niet, dus de z in de stam wordt vervangen door de letter s. De verleden tijd wordt dan verhuisde(n). Voltooid deelwoord: verhuisd

Conclusie

Dus ben je nu verhuisd of verhuist? Op je verhuiskaartje zet je “Ik ben verhuisd” of bijvoorbeeld “Wij zijn verhuisd” of “Wij verhuisden”. Of kortweg “Ben verhuisd”. Maar dus niet “Ik ben verhuist”. Nu alleen nog een mooi ontwerp (laten) maken en voor je het weet ben je verhuisd (en niet verhuist).

De vervoeging van het werkwoord verhuizen

Misschien stuur je de verhuiskaartjes al op voor je verhuizing. Dan kan je erop zeten “Ik ga verhuizen” of “Ik zal verhuizen”. Of wat uitgebreider: “Het huis werd te klein, ben daarom verhuisd”. In ieder geval hebben we de vervoeging van het werkwoord verhuizen nog even voor je op een rijtje gezet. Veel plezier met de verhuizing!
Onvoltood tegenwoordige tijd:

  • ik verhuis
  • jij verhuist
  • hij/zij verhuist
  • wij/jullie/zij verhuizen

Voltooid tegenwoordige tijd:

  • ik ben verhuisd
  • jij bent verhuisd
  • hij/zij is verhuisd
  • wij/jullie/zij zijn verhuisd

Onvoltooid verleden tijd:

  • ik verhuisde
  • jij verhuisde
  • hij/zij verhuisde
  • wij/jullie/zij verhuisden

Voltooid verleden tijd:

  • ik was verhuisd
  • jij was verhuisd
  • hij/zij was verhuisd
  • wij/jullie/zij waren verhuisd

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd:

  • ik ga verhuizen
  • jij gaat verhuizen
  • hij/zij gaat verhuizen
  • wij/jullie/zij gaan verhuizen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd:

  • ik zal verhuisd zijn
  • jij zal verhuisd zijn
  • hij/zij zal verhuisd zijn
  • wij/jullie/zij zullen verhuisd zijn

Onvoltooid verleden toekomende tijd:

  • ik zou verhuizen
  • jij zou verhuizen
  • hij/zij zou verhuizen
  • wij/jullie/zij zouden verhuizen

Voltooid verleden toekomende tijd:

  • ik zou verhuisd zijn
  • jij zou verhuisd zijn
  • hij/zij zou verhuisd zijn
  • wij/jullie/zij zouden verhuisd zijn